Wat vooraf ging:

 

De kinderen zijn laat opgestaan. Ze hebben net ontbeten, als Anouk ontdekt dat de boerderij verlaten is. Er is niemand. Waar zijn ze allemaal? Dan komt Jet over het pad aangelopen. Ze is helemaal overstuur. Er is geen zinnig woord uit haar te krijgen. De kinderen begrijpen alleen dat er iets afschuwelijks op de boerderij van de buren is gebeurd.

 

 

Van verre kunnen ze al zien dat er bij de boerderij van de familie De Vries iets gaande is. Er staan twee politieauto’s en een hele groep mensen. Met rood-wit gestreepte linten wordt iedereen op een afstand gehouden. Ze zetten hun fietsen tegen een hek.

‘Het komt nu wel heel dichtbij,’ horen ze een man zeggen met een pet op en een stompje sigaar in zijn mondhoek.

De man naast hem knikt. ‘Benauwend, hoor. De politie patrouilleert elke nacht in het buitengebied, maar tot nu toe hebben ze nog niemand aan kunnen houden. Ze tasten volledig in het duister.’

‘Wat is er gebeurd?’ vraagt Anouk aan een vrouw die ze schijnt te kennen.

‘De dierenbeul heeft weer toegeslagen,’ antwoordt ze. ‘Hij heeft deze keer de pony van Femke te pakken gehad.’

Anouk verbleekt. ‘Wat?’ kan ze alleen maar uitbrengen.

De vrouw knikt. ‘Hij heeft geprobeerd het dier de keel door te snijden.’

‘Is hij dood?’

‘Nee. De dierenarts heeft hem gelukkig kunnen redden, maar het zag er wel vreselijk uit.’

‘Hebt u het gezien?’

‘Nee, maar Rinus wel.’ De vrouw knikt naar een man die even verderop staat. ‘Het dier had een grote gapende wond in zijn hals.’ Ze maakt een gebaar met haar wijsvinger langs haar keel. ‘Femke was helemaal overstuur,’ gaat ze verder. ‘Dat kun je wel begrijpen.’

‘Is Femke in de stal bij haar pony?’

‘Dat zal wel.’

‘Mogen we niet naar haar toe?’ Anouk wijst naar de roodwitte linten.’

‘Nee, de politie is nog bezig met het sporenonderzoek.’

Ze wachten en kijken intussen hun ogen uit. Een politieman maakt foto’s en twee anderen maken afgietsels van schoenafdrukken. Na een kwartier zijn ze klaar. De linten worden weggehaald en de politieauto’s rijden weg. Ook de dierenarts vertrekt.

‘Nu kunnen we naar Femke toe,’ zegt Anouk.

‘Kunnen we dat wel doen?’ vraagt Lotte. ‘Ze kent ons helemaal niet.’

‘Ze kent mij toch?’

‘Jawel, maarre…’

‘Kom nou maar.’ Zonder nog om te kijken, loopt Anouk naar de boerderij. De kinderen volgen haar. Vanuit de keuken klinken stemmen. Het is er een drukte van belang. Ze zien Geurt en Nienke en nog een heel stel anderen. Iedereen is zo druk met elkaar in gesprek dat ze niet eens worden opgemerkt. Anouk loopt dan ook meteen door naar de stal waar Femkes pony gewoonlijk staat. Femke staat met Hanneke en Jenneke te praten.

‘Hij heeft wel erg veel bloed verloren,’ vangt Lotte nog net op. In een box achterin ziet ze een donkerbruin paardje met ruige manen. Hij staat met een hangend hoofd voor zich uit te staren. Als Lotte dichterbij komt, ziet ze dat er op de huid rond zijn hals geronnen bloed kleeft. Tussen het haar glinsteren nietjes. Ze bukt zich om het beter te kunnen zien. Het moet een enorme jaap zijn geweest, want de wond loopt helemaal door naar de andere kant.

‘En dit is Lotte,’ hoort ze Anouk achter zich zeggen.

Lotte komt haastig overeind en kijkt in een paar prachtige blauwe ogen. ‘Hoi,’ zegt ze. ‘Wat vreselijk voor je. En voor je paard natuurlijk,’ voegt ze er meteen aan toe.

‘Pony,’ verbetert Femke haar.

‘O,’ zegt ze wat kortaf. ‘Ik heb er ook niet zo’n verstand van.’ Ze schat Femke ongeveer even oud als zijzelf. Ze heeft een tenger figuurtje, maar onder haar T-shirt beginnen zich al twee kleine bobbels af te tekenen. Hoewel haar gezicht rood gevlekt is van het huilen, is toch goed te zien hoe knap ze is. Lange blonde krullen omlijsten een smal gezichtje en haar lippen lijken gemaakt om mee te zoenen.

Dan stelt Anouk Dennis aan Femke voor. Als die twee elkaar aankijken, is het of de vonken overspringen. Lotte ziet het gebeuren. Er slaat een golf van jaloezie door haar heen. ‘Zullen we naar buiten gaan?’ stelt ze voor. ‘Het is veel te druk voor de pony, als we met zijn allen om hem heen blijven staan.’ Maar niemand reageert. Ook Dennis niet. Hij kan zijn ogen niet van Femke afhouden. Hij staat haar maar aan te staren, alsof ze een engel is die uit de hemel is komen vallen. ‘Hoe hebben jullie het eigenlijk ontdekt?’ vraagt ze daarom maar.

‘Onze hond ging vannacht opeens vreselijk tekeer,’ antwoordt Femke. ‘Vaak is er dan wel iets aan de hand. Een paar weken geleden hadden we een vos in het kippenhok en toen sloeg hij ook aan.’

‘Waar stond je pony?’ wil Dennis weten.

‘Hij stond in het weitje aan de weg. Daar.’ Femke gebaart met haar hoofd, waarbij haar krullen om haar hoofd dansen. ‘Mijn vader kon niet meteen ontdekken waar de hond zo voor blafte. Hij wilde alweer naar bed gaan, toen hij op het idee kwam om hem los te maken. Loebas rende meteen naar het weitje waar Midas gewoonlijk staat. Mijn vader zag aan de houding van de pony dat er iets met hem aan de hand was, maar hij kon niet zien wat. Pas toen hij naar hem toeging en op zijn hals klopte, voelde hij iets nattigs. Zijn hand zat onder het bloed. Hij heeft meteen de dierenarts gebeld en ook de politie, want hij begreep dat het goed fout zat. De dierenarts heeft de wonden schoongemaakt en gehecht. Daarna heeft hij Midas een prik gegeven zodat het niet gaat ontsteken. Hij verwacht dat het wel weer goed komt.’

Terwijl Femke vertelt, ziet Lotte, hoe Dennis’ handen zich tot vuisten ballen. Plotseling barst hij uit: ‘Een onschuldig dier mishandelen! Kan zo’n vent wel? Als ik hem in mijn vingers krijg, dan zal hij wat meemaken! Ik snijd hem zijn keel door, met zijn eigen mes! Ik…’ Als hij de verschrikte blik in Femkes ogen ziet, sluit hij abrupt zijn mond. Verward dwalen zijn ogen naar de pony.

‘Hebben ze nog iets over de dierenbeul kunnen ontdekken?’ begint Lotte gauw over iets anders.

‘Nee, niet veel,’ antwoordt Femke. ‘Alleen dat hij op de fiets was en dat hij schoenmaat zesenveertig heeft.’

‘Maat kolenschuit,’ grapt Dennis. Hij lacht verontschuldigend naar Femke.

Er gaat een steek door Lottes hart. Het is een van die lachjes die anders altijd voor haar zijn bestemd. Ze loopt de stal uit. Ze kan het niet aanzien hoe dat kind met haar lieve maniertjes Dennis probeert in te pakken. Ze kijkt naar de mensen die een voor een naar huis keren. De grootste sensatie is voorbij. Opeens voelt ze een hand op haar schouder.

‘Wat was er opeens met jou?’ hoort ze Dennis vragen.

‘Dat kan ik beter aan jou vragen,’ is haar stroeve antwoord.

Dennis reageert niet meteen. ‘Je weet dat ik woest word, als ik hoor dat iemand een dier heeft mishandeld,’ zegt hij dan.

‘Dat weet ik wel,’ zegt Lotte wat vriendelijker, ‘maar dat bedoel ik niet.’

‘Wat bedoel je dan?’

‘Niets.’ Lotte hoort Dennis grinniken. Het maakt haar opnieuw boos.

‘En waarom liep je dan opeens zo vlug de stal uit?’ vraagt Dennis verder.

‘Gewoon, omdat ik niet tegen bloed kan.’ Lotte voelt hoe hij zijn armen om haar middel slaat en zijn kin op haar schouder legt.

‘Je bedoelt, dat je er niet tegen kunt als ik aardig doe tegen een mooi meisje,’ klinkt het bij haar oor.

‘Dus je hebt wel gezien dat ze mooi is?’

‘Ja, ik heb geen poep in mijn ogen.’ Dennis lippen beroeren zacht haar nek.

Lotte lacht opgelucht.

      De Kampeerclub

     

Terug naar

 9+ pagina

Terug naar beginpagina